Geschiedenis van Apostolatus Maris te Antwerpen.
Waar het gaat over de zorg van de Kerk voor zeevarenden moet men drie perioden onderscheiden:
1° De tijd van de eerste wereldoorlog tot 1930.
Alles is begonnen met het
werk van Peter Anson en Arthur Gannon te
Glasgow in Schotland .
Het enige dat in die periode in België gebeurde was het benoemen van aalmoezeniers voor de opleidingsschepen en voor de hogere Zeevaartschool.
De Belgische schepen, bestemd voor passagiersvervoer, hadden geregeld priesters,vooral missionarissen, aan boord.
2° De tijd toen in 1930 E.H. Eugeen Boogaers werd benoemd tot aalmoezenier van de zeelieden die met de werking aansloot bij deondertussen internationaal geworden beweging :
‘Apostolaat ter Zee‘.
3° De periode die start in 1952 met het verschijnen van de Apostolische Constitutie “EXSUL FAMILIA” waarmee Apostolatus Maris geïntegreerd wordt in de officiële kerkelijke structuren.
A. De periode tot 1930.
Een eerste pionier is zeker Peter Anson geweest. Hij leefde van 1889 tot 1975 in Schotland. Hij was visser van beroep en was benedictijner oblaat.
Het insigne dat nu nog het logo van ‘Apostolatus Maris’ is werd door hem ontworpen.
Apostolatus Maris (APOSTLESHIP OF THE SEA)is als organisatie gesticht op een bijeenkomst van katholieke leken die op 4 oktober 1920 werd gehouden te Glasgow.
Een van die leken, die zou functioneren als secretaris, was Arhur Gannon. Deze heeft de havens afgereisd, contacten gezocht, en mensen bijeengebracht.
In 1920 werden nieuwe constituties samengesteld welke in 1922 door Peter Anson naar Rome werden gebracht en daar de erkenning en de zegen kregen van Paus Pius XI. Er werd een internationale organisatie uitgebouwd vanuit het hoofdkwartier in Glasgow totdat in maart 1928, - met het oog op het coördineren van de organisaties die zich met de zeelieden bezighielden -, de Raad van het Apostolaat ter Zee werd opgericht . Hieruit ontwikkelde zich het “APOSTOLATUS MARIS INTERNATIONALE CONCILIUM” afgekort AMIC waarvan Arthur Gannon de internationale secretaris werd.
Deze organisatie werd internationaal erkend en aanvaard.
In het historisch jaar 1952 verscheen de Apostolische Constitutie “EXSUL FAMILIA” die het Apostolaat ter Zee erkende als integrerend deel van het Kerkinstituut, dat er de organisatie van bepaalde. Later zouden er nog Statuten verschijnen.
Wat gebeurde er toen lokaal in de havens?
Katholieke apostolaatswerken werden aangezocht om zeelieden te bezoeken in de havens. Pater Martin Dale S.J. had een handig “Prayer Book for Catholic Seafarers” samengesteld dat met duizenden werd verspreid. Ook door pater Koevoets van Rotterdam werd een analoog gebedenboekje samengesteld.
Eén manier om iets voor de zeelieden te doen is: hen in vreemde havens een thuis bieden.
Een andere manier is: eigen zeelieden bijstaan: hen vormen vóór ze naar zee gaan, hen zoveel mogelijk begeleiden op zee, en aanwezig zijn in alle geledingen die zorgen voor de sociale rechten van de zeeman.
Rond de jaren dertig kon al een hele lijst van adressen voor zeelieden worden gepubliceerd,
-zeemanshuizen-, waarvan de voornaamsten de naam “STELLA MARIS” hadden aangenomen.
Er werden ook internationale bijeenkomsten ( congressen ) gehouden en Arthur Gannon zorgde dat die voor Rome niet onzichtbaar bleven.
Vanuit zo'n congres werd in de twintiger jaren een brief gestuurd naar het bisdom Mechelen om er aan te herinneren dat Antwerpen ook een haven had waar zeelieden gerust wat aandacht konden gebruiken.
Vanuit de Antwerpse parochie St. Paulus - aan wie de bekommernis voor zeelieden was meegedeeld - werd een poging ondernomen om schepen te bezoeken en zeelieden in het reeds bestaande parochiehuis uit te nodigen.
2° De periode vanaf 1930 tot 1952 met aalmoezenier Eugeen Boogaers.
Eugeen
Boogaers werd geboren te Turnhout op 19 augustus 1881.
Na zijn middelbare studies voelde hij zich geroepen om priester te worden, niet langs het diocesaan seminarie van Mechelen, maar langs het Amerikaans seminarie dat jonge mensen te Leuven voorbereidde om naar de Verenigde Staten te gaan werken onder jurisdictie van een Amerikaanse bisschop. Zo vertrekt de jonge priester naar het bisdom Oklahoma dat gesticht was in 1905 en hij werd er in 1909 heen gezonden voor de zielzorg onder de cowboys.
Toen in 1914 de oorlog uitbrak kwam Eugeen Boogaers terug naar ons land om als aalmoezenier bij het leger aan het front dienst te nemen .
Na 42 maanden frontdienst werd hij 18 maart 1917 tijdens de aanval op de grote wacht van Reigersvliet zwaar gewond aan de heup terwijl hij in de bestookte loopgraven gekwetste en stervende soldaten bijstond .
Dit is oorzaak dat hij na de wapenstilstand in 1919 niet meer terugkeert naar zijn bisschop in Oklahoma maar aalmoezenier bleef bij het bezettingsleger in Duitsland.
De Belgische bezetting eindigde in 1929 en Eugeen Boogaers ging op zoek naar een andere opdracht.
Ondertussen was hij naar Antwerpen gekomen en had er in de Dolfijnstraat zijn intrek genomen bij zijn zuster Louisa Roest-Boogaers.
In 1929-1930 moet er een toevallige ontmoeting hebben plaatsgevonden tussen E.H. Boogaers en pater Kruynen, een scheutist die, zich bezighield met de Congolese zeelieden op de Belgische schepen en die hiervoor een huis ter beschikking had aan de Van Dyckkaai nr.2.
Pater Kruynen had dit huis de naam gegeven:”Ndaka ya Bissu” “Ons Huis”. Hier werden de Congolese zeelieden ondergebracht in gevallen dat zij niet aan boord konden blijven zoals bij reparaties, ontratting van schepen enz. Deze zeelieden hadden verbod aan wal te gaan in Antwerpen.
Omdat pater Kruyen zich moeide met de werking aan boord en de omgang tussen officieren en zwarte bemanning, was pater Kruyen niet meer aanvaard, noch bij de officieren, noch bij de Congolese zeelieden en dit was zijn einde en het einde van de werking van het huis.
Het is pater Kruyen die E.H. Boogaers overtuigde dat er in de haven van Antwerpen bij de zeelui en inzonderheid bij de Belgische zeelui een groot apostolaatsterrein was weggelegd .
Tijdens de bevrijding op 5 september 1944 werden collaborateurs en Duitse krijgsgevangenen ondergebracht in de kazerne van de Begijnenvest, palend aan het St. Lievenscollege waar Mgr. Lambrechts toen leraar was. Hij heeft bij die mensen mis gelezen en biecht gehoord. In de mate van het mogelijke werd voor een beetje eten gezorgd en post werd uitgedeeld. Ook trachtte Mgr. Lambrechts aan boeken te geraken om deze mensen wat bezigheid te geven. In de bibliotheek van de St. Michielsparochie ging dit moeilijk en zo kwam hij in contact met E.H. Bogaers van wie hij boeken kreeg voor de gedetineerden, daar er in die periode weinig activiteit was voor de bibliotheek voor zeelieden.
E.H. Bogaers heeft hier de eerste ontmoetingen gehad met Mgr. Lambrechts om hem voor het werk te interesseren, waarmee deze bezig was.
Intussen werd Fr. Jan Fratteur, door bemiddeling van zijn broer Fr. Pol Fratteur, benoemd in 1946 als medewerker van E.H. Bogaers.
Een brief van 3° december 1946 gericht aan Arthur Gannon geeft weer dat E.H. Bogaers sukkelde met zijn gezondheid en vooral met zijn oorlogsverwonding aan been en heup.
Fr. Jan Fratteur verliet in 1948-1949 het Apostolatus Maris om pastoor te worden in Austruweel. Hij bezocht van hieruit de haven en richtte er later een jongenstehuis op. Alle contact met het Apostolatus Maris werd verbroken.
In de periode voor, gedurende en na de oorlog had E.H. Bogaers ook goede contacten met pater Louis Arts s.j. een befaamd predikant die de paasvieringen verzorgde en met pater De Cleyn s.j. van de toenmalige St. Ignatius Hogere Handelsschool.
Te vermelden valt ook de bedevaart naar de Zwarte God van Hoboken, die altijd veel volk trok, zowel vanuit de maritieme wereld, de zeelieden, als van de hogere zeevaartschool.
Nu E.H. Bogaers er alleen voor stond in 1948-1949 en gezien zijn wankele gezondheid werd er weer van alle kanten druk uitgeoefend op Mechelen om een vaste medewerker te krijgen.
Eerst via Mgr. Zech, deken van Antwerpen, daarna via E.H. Lemaitre (zoon van kapitein Lemaitre) die in Rome een Congres van het Apostolaat ter Zee bijwoonde en die van daaruit een brief schreef naar de kardinaal om voor het Apostolaat ter Zee in Antwerpen iemand te benoemen.
Mgr.
Lambrechts werd dan naar Mechelen geroepen, eerst bij Mgr. De Smedt en later bij
Mgr. Everaert en
hij kreeg de opdracht een studie te schrijven over de pastorale
noodwendigheden in de haven van Antwerpen.
Uiteindelijk werd Mgr. Lambrechts samen met E.H. Eugeen Bogaers voor het Apostolaat ter Zee benoemd in december 1950.
Ondertussen was er een comité opgericht voor het opvolgen van de bouw van het clubhuis op de Italiëlei 72. Dit werd verwezenlijkt en in gebruik genomen op 30 juni 1951 met geld dat voor de helft werd samengebracht door E.H. Bogaers en dat voor de helft bestond uit subsidies van provincie en stad.
In het nieuwe clubhuis beschikte men over een bar, een restaurant, een feestzaal, een boekerij, een kleine shop en negen hotelkamers. De club werd vlug bekend onder de naam: Stella Maris, zoals in andere havens de katholieke zeemanshuizen werden genoemd.
Het gebouw ‘Stella Maris’ werd al vlug te klein, vooral wat logeermogelijkheden betrof. Er was bovendien niets voorzien voor een inwonende aalmoezenier of verantwoordelijke. Er werd dan ook gretig gebruik gemaakt van het aanbod van de buurman van Italiëlei 74, die zijn woning te koop aanbood.
Vanaf 1954 was er zodoende ruimte meer voor 14 logeerkamers, een bureel, een aalmoezenierskamer, een vergaderzaal en een kapel. Daarbij werd ook de feestzaal met de helft vergroot.
Vanaf 1952 werd eveneens de kelderruimte, die aanvankelijk voorzien werd als een speelruimte, ter beschikking gesteld van de Kongolese zeelieden en dit op verzoek van pater Nuyens die pastoor was geweest in Matadi en die eraan hield voor het onthaal van zijn oud-parochianen te blijven zorgen. De meeste Kongolese zeelieden kwamen inderdaad uit de havenstad Matadi.
3° De periode na 1952 met het verschijnen van de Apostolische Constitutie ( de kerkelijke stichting ) “Exsul Familia” die het Apostolaat ter Zee erkende als uitgroeiend deel van het Kerkinstituut en er de organisatie van bepaalde.
Later zouden er nog statuten verschijnen.
Op 27 februari 1953 werd het internationaal algemeen secretariaat opgericht met de benoeming van o.a. de eerste uitvoerend secretaris E.P. Jean-Marie Butel s.j. die de “Mission de la Mer” had opgericht in Frankrijk. Er ontstond een goede samenwerking tussen E.P. Butel s.j., Arthur Gannon en mgr. Lambrechts, die op verschillende domeinen geconsulteerd werd.
Het is ook in deze periode dat het internationaal secretariaat werd overgebracht van Glasgow naar Rome.
In deze en volgende jaren nam het aantal medewerkers in Antwerpen een hoge vlucht zodat een vijftigtal personen zich belangeloos inzetten voor de verschillende activiteiten van Stella Maris o.a. de dansavonden op dinsdag, donderdag, zaterdag en zondag, de bardienst, de zaaldienst, het visitingteam zieke zeelieden, de shop, scheepsbezeok enz.
De oprichter van Stella Maris E.H. Eugeen Boogaers overleed op 7 februari 1956.
Mgr. Lambrechts kreeg in juli 1958 assistentie van E.H. Jef Borgers, doctor in de wetenschappen, die les gaf in wetenschappen en wiskunde op het college St. Jan Berchmans te Antwerpen.
Ondertussen werd mgr. Lambrechts in 1960 benoemd tot uitvoerend Internationaal Secretaris te Rome en hij zal daar lange jaren werkzaam zijn en aan de basis liggen van de internationale uitbouw van Apostolatus Maris.
Sinds de jaren 1956 tot midden de jaren ’60 werden verschillende koopvaardijschepen ingericht voor de opleiding van toekomstige zeeofficieren, zoals de ‘Louis Sheid’ de ‘Montalto’ de ‘Eekloo’ waar ook een aalmoezenier aan boord was. Apostolatus Maris in Antwerpen coördineerde de werking van deze aalmoezeniers.
E.H. Fons Laureys was aalmoezenier aan boord van de ‘Louis Sheid’ en op de ‘Montalto’ in 1961 en 1962.
Het team Borgers- Laureys beheerde nu het Apostolatus Maris te Antwerpen.
E.H.
Laureys heeft in 1962 en volgende jaren de bibliotheek voor varenden volledig
geherstuctureeerd en op peil gebracht. Ook nam hij de pastorale zorg op zich
voor de leerlingen en kadetten van de hogere zeevartschool
Ondertussen werd ook stilaan gedacht aan een oecumenisch perspectief in de haven van Antwerpen om de krachten te bundelen van de verschillend christelijke kerken.
Aalmoezenier Jef Borgers heeft hiervoor de grondslag gelegd vanaf 1966-67-68 voor een oecumenische samenwerking in de haven..
Uiteindelijk werd een akkoord bereikt tussen “The British Sailors' Society” en “The Missions to Seamen” en werd in 1970 de “Antwerp Mariners Club” uitgebouwd in het midden van het havengebied. Later sloot de “Deutsche Seemansmission” zich hierbij aan.
Aalmoezenier Borgers werd op 17/07/1970 benoemd als leraarwetenschappen in Brussel en gaf zijn ontslag. Fons Laureys werd benoemd als aalmoezenier van Apostolatus Maris in Antwerpen en als Nationaal Directeur van Apostolatus Maris België.
Uit de samenwerking tussen de verschillende missies in 1970 groeide een diepere oecumenische geest in respect voor ieders eigenheid.
Op Paasdag besloten de missies samen te werken vanuit een centrum in de stad onder de naam “Antwerp Seafarers’Centre”.
Intussen werd een sportterrein overgedragen door de Noorse Missie aan het Seafarers’ Centre,
gelegen achter kaai 135, waar jaarlijks succesvolle voetbaltoernooien werden georganiseerd.
E.H. Laureys werd in de periode van de jaren ’70 ook voorzitter van de Europese Regionale Organisatie van het Apostolaat ter Zee en bleef dit tot de beginjaren ’90. Jaarlijks werd in een andere havenstad een driedaags congres gehouden voor de samenwerking tussen de verschillende Europese havens en ook ter voorbereiding van het vijfjaarlijks wereldcongres.
Fons Laureys had ook plannen de zeemansbibliotheek uit te breiden en te moderniseren, het oprichten van een volwaardige videotheek, een volledige herstructurering van de onthaalpolitiek voor zeelieden, samen met de zusterorganisaties.
Hieraan kwam plots een einde door het plotse overlijden van Fons Laureys op 20 december 1992. Hij was 32 jaar lang de drijvende kracht, de spilfiguur en hij had een enorme vriendenkring opgebouwd, zowel nationaal als internationaal.
De kerkelijke overheid, het belang kennende van het centrum, deed al het mogelijke een opvolger te vinden. Uiteindelijk in september 1993 kwam E.H. Stefaan Grillet ons vervoegen.
Stefaan Grillet was een priester-arbeider die internationale trajecten reed per vrachtwagen.
Tijdens zijn verblijf werd de bibliotheek vernieuwd en aangepast aan de normen van het bibliotheekdecreet.
In de moeilijke jaren die volgden, veranderde er heel wat in de internationale koopvaardijvloten.
De Belgische vloot werd afgebouwd en onder Luxemburgse en vreemde vlaggen gebracht. De bemanningen bestaan voor het grootste gedeelte uit vreemde zeelieden, komende van lage loonlanden.
Meer en meer schepen worden bemand met zeelieden uit de derde wereld. Op welfare gebied stelt dit problemen en moeten financiele middelen gevonden worden om het onthaal en de opvang van deze zeelieden te verzorgen.
Gedurende de korte tijd dat Stefaan Grillet in het centrum werkzaam was, was er een congres van ICMA Noord-Europa in Antwerpen met al de christelijke kerken samen, wat een succes werd en zeker moet bestendigd worden.
Stefaan Grillet heeft ook veel werk verzet om financies bijeen te brengen voor de werking van het centrum. Hij verliet ons in augustus 1996
Aalmoezenier Geert Bamelis vervoegde ons in januari 1997. Hij moet het werk van zijn voorgangers verder zetten en het hoofd bieden aan de zeer snel veranderende omstandigheden in de zeemanswereld.
In heel dit imposant overzicht van de geschiedenis van het Apostolatus Maris mogen wij de mensen niet vergeten die zich al die lange jaren vrijwillig en belangeloos hebben ingezet en nog inzetten voor het welzijn van de zeelieden.
Zonder de inzet van deze vrijwilligers zou het Apostolaat ter Zee niet geworden zijn wat het nu is, en wij hopen dat wij de huidige moeilijkheden succesvol en sereen mogen doorkomen.
“We shall walk hand in hand some day;
O deep in my hart I do believe:
We shall overcome some day.”
Met dank aan Mgr. Lambrechts en kapitein Cogghe, die deze samenvatting mogelijk maakten

